Optimale warmteaccumulatie

Opwarming en afkoeling

Voor optimale warmteaccumulatie is het van belang dat de gebouwschil warmte en koelte zo goed mogelijk op kan slaan. Om verlies te voorkomen, is het essentieel dat de gebouwschil luchtdicht is. Ook de plaats van isolatiematerialen heeft invloed op het warmteaccumulerende vermogen. Isolatie aan de buitenzijde van een gevel betekent dat er veel warmte in de constructie wordt opgeslagen. Zo ontstaat een gelijkmatig binnenklimaat, maar het opwarmen en afkoelen van het gebouw duurt langer. Isolatie aan de binnenzijde leidt tot een lagere warmte- of koudeopslag, terwijl opwarming en afkoeling korter duren.
 

Warmtecapaciteit

Bouwmaterialen bepalen hoe warmteaccumulerend een energieneutrale woning is. Het warmteaccumulerende vermogen van bouwmaterialen wordt uitgedrukt in de warmtecapaciteit: soortelijke warmte x volumieke massa. Hoe hoger de warmtecapaciteit en hoe dikker de constructielaag, des te groter het warmteaccumulerende vermogen. Kalkzandsteen en cellenbeton zijn bij uitstek materialen die warmte en koelte op kunnen slaan en af kunnen geven. Dankzij hun hoge warmtecapaciteit hebben ze een sterk warmteaccumulerend vermogen dat toeneemt met de dikte van het materiaal. 
 

Denk (ook) aan het dak

Woningen ontvangen een aanzienlijk deel van de warmte van de zon via het dak. Ook daar moet de constructie dus kloppen. Een bouwmateriaal dat zelf bijdraagt aan aangename klimatologische omstandigheden binnenshuis is steenachtig en massief, accumuleert warmte en vlakt daardoor temperatuurschommelingen af. Én is bestand tegen de invloeden van weer en wind.